Chromosoomafwijkingen

  

A. Afwijkingen van het aantal chromosomen(numerieke chromosoomafwijkingen)

Elk normaal persoon heeft in iedere cel van zijn lichaam 46 chromosomen. Personen met te veel of te weinig chromosomen hebben een chromosoomafwijking. Deze chromosoomafwijkingen worden “numerieke chromosoomafwijkingen“ genoemd . Aangezien er veel verschillende chromosomen zijn, bestaan er ook veel verschillende chromosoomafwijkingen. In de meeste gevallen lijden deze tot ernstige lichamelijke en geestelijke afwijkingen. Het meest bekende voorbeeld van een chromosoomafwijking is mongolisme dat vaak ook syndroom van Down wordt genoemd omdat Dokter Langdon Down (1866) deze chromosoomafwijking als eerste beschreef in de medische literatuur. In de genetica, en in de geneeskunde in het algemeen, worden ziekten vaak genoemd naar de arts die de ziekte voor het eerst beschreef.

Een syndroom is een ziekte waarbij er afwijkingen zijn van verschillende organen, zoals de ogen, hersenen en het hart. Bij het syndroom van Down vormt de verstandelijke achterstand het voornaamste kenmerk, terwijl ongeveer de helft van de Down patiënten een aangeboren hartafwijking vertoont.

Andere numerieke chromosoomafwijkingen zijn trisomie 13 (ook syndroom van Patau genoemd), en trisomie 18 (ook syndroom van Edwards genoemd).

De numerieke chromosoomafwijkingen van de geslachtschromosomen, het X chromosoom en het Y chromosoom zijn minder ernstig. Bij het syndroom van Turner betreft het meisjes met 1 in plaats van twee X chromosomen (monosomie X), die meestal te klein zijn, geen menstruatie hebben en onvruchtbaar zijn. Vaak ook bestaat er een brede hals en opgezwollen handen en voeten, vooral bij baby's. De verstandelijke ontwikkeling is normaal of licht vertraagd.

Wanneer de moeder van een kind met een numerieke chromosoomafwijking opnieuw zwanger is, bestaat er meestal slechts een licht verhoogd risico op een tweede kind met een chromosoomafwijking(1 à 2% bovenop het leeftijdsrisico). De overige familieleden hebben geen verhoogd risico op een kind met een numerieke chromosoomafwijking. De numerieke chromosoom afwijkingen zijn dus eigenlijk niet erfelijk in de zin van overerfbaar, alhoewel het wel afwijkingen zijn van ons erfelijk materiaal.

B. Afwijkingen in de structuur van de chromosomen(structurele chromosoomafwijkingen)
Naast het aantal chromosomen kan ook de structuur of vorm van de chromosomen afwijkend zijn. Men spreekt dan van “structurele chromosoomafwijkingen“. Er bestaan een groot aantal structurele chromosoomafwijkingen.

B1. Deleties
Soms is er een stukje chromosoom te weinig: dit wordt deletie genoemd. Personen met een deletie vertonen vrijwel steeds een ernstige mentale handicap en verscheidene fysische afwijkingen. Voorbeelden van een chromosoomdeletie zijn het Angelman syndroom (deletie van chromosoom 15) en het Shprintzen syndroom (deletie van chromosoom 22) .

B2. Inserties
Soms is er een stukje chromosoom te veel: dit wordt insertie genoemd.

B3. Inversies
Wanneer een stukje chromosoom 180 ° rond zijn as draait, spreekt men van een inversie. Er bestaan 2 soorten inversies: pericentrische en paracentrische. Bij een paracentrische inversie is slechts één van de twee armen van het chromosoom betrokken (ofwel de korte, ofwel de lange arm).

B4. Translocaties
Soms zit er een stukje van het ene chromosoom op een ander chromosoom wat translocatie wordt genoemd. Wanneer de stukjes gewoon van chromosoom verwisseld zijn, spreekt men een reciproke translocatie. Wanneer twee chromosomen aan mekaar komen vast te zitten spreekt men van een Robertsonian translocatie.

Algemeen kan gesteld worden dat structurele chromosoomafwijkingen slechts een syndroom veroorzaken wanneer er een stukje chromosoom teveel of te weinig is: de structurele chromosoomafwijkingen worden dan ongebalanceerd genoemd. Vaak heeft één van de ouders van een afwijkend kind met een ongebalanceerde structurele chromosoomafwijking zelf een gebalanceerde chromosoomafwijking. Deze ouder vertoont dan zelf geen lichamelijke afwijkingen, maar heeft wel een risico op kinderen met afwijkingen. Structurele chromosoomafwijkingen zijn dus in tegenstelling tot numerieke chromosoomafwijkingen wel erfelijk.

Een dergelijke translocatie brengt een verhoogd risico op een chromosoomafwijking mee in volgende zwangerschappen. Een prenataal chromosoomonderzoek na vruchtwaterpunctie of vlokkentest is dan aangeraden. Bovendien is ook onderzoek van de naaste familieleden aangewezen omdat deze de gebalanceerde chromosoomafwijking kunnen dragen, en dan ook een verhoogd risico hebben op kinderen met een ongebalanceerde afwijking met een syndroom tot gevolg.